HULPKAART NEDERLANDS 2e en 3e klas (5) E. Stappenplan naamwoordelijk gezegde (ng)
|
Stap 1: Bekijk alle werkwoorden in de zin. |
|
Zo noteer je het ng: Die kat/ schijnt/ ontzettend vals/ te zijn. ng
= schijnt
[ontzettend
vals] te
zijn |
|
|
|
|
|
Stap 2: Zit er een vorm bij van:
(iets) zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen (te zijn)? |
NEE ► |
► wg
Bijv: Lotte / praat / met een klasgenoot. wg = praat ► Het onderwerp doet iets!
(praat = zww) |
|
JA ▼ |
|
|
|
Stap 3: Er is één ww en dat is een vorm van één van die zes. |
JA ► |
Koppelt het ww het onderwerp aan iets anders? ► ng
Bijv: Giel / is / de leukste jongen. ng = is [de leukste] ► Het onderwerp is iets (wordt / blijft enz. iets)!
(is = kww) |
|
NEE ▼ |
|
|
|
Stap 4: Er zijn meerdere ww! De pv is het enige ww dat een vorm is van
zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen. |
JA ► |
► wg!
Bijv: Melanie/ blijft / in het lokaal / zitten. wg = blijft zitten ► Het onderwerp doet iets!
(blijft = hww / zitten = zww!) |
|
NEE ▼ |
|
|
|
Stap 5: De pv is niet één van die zes, maar één van de andere ww is wel kww:
zijn / worden / blijven lijken / blijken / schijnen. |
JA ► |
Koppelt dat ww het onderwerp aan iets anders? ► ng
Bijv: Bram / wilde / altijd al / profvoetballer / zijn. ng = wilde [profvoetballer] zijn ► Het onderwerp is (wordt etc.) iets!
(wilde = hww / zijn = kww) |
©
BRC havo en vwo – Krommenie HULPKAART NEDERLANDS (5), 2e
en 3e
klas