Lotte / vertelde / de leerlingen / tijdens de toets / alle antwoorden.
|
pv
|
|
|
||||||
|
o
|
Wie / wat + pv
|
Wie vertelde? Lotte vertelde › Lotte = onderwerp |
||||||
|
gez
|
Alle
werkwoorden in de zin: Lotte / vertelde / de leerlingen /
tijdens de toets / alle antwoorden
gez = vertelde
|
|||||||
|
lv
|
Wie / wat Wat
|
+ gez vertelde |
+ O Lotte |
= lv = alle antwoorden |
||||
|
mwv
|
(Aan/voor/enz.) wie (wat) (Aan) wie |
+ gez vertelde |
+ O Lotte |
+ lv alle antwoorden |
= mwv = de leerlingen
|
|||
|
Als
voor dat zinsdeel aan staat en je kunt dat
“aan” ook weglaten, dan is dat zinsdeel een
mwv.
|
||||||||
|
bwb |
De bwb geeft antwoord op vragen als: Wanneer? Waar? Hoe? Waarom? Waarheen? Waarvandaan? Waardoor?
Wanneer?
Lotte / vertelde / de
leerlingen / tijdens de toets / alle
antwoorden
bwb = tijdens de toets
* Je kunt ook zeggen dat de zinsdelen die overblijven (na het vinden van pv > o > gez en eventueel lv en het mv) standaard een bwb zijn. |
|||||||
|
Let op! |
In een zin staan altijd een PV, een GEZEGDE en een ONDERWERP! Een LV, MWV en BWB kunnen voorkomen, maar dat hoeft niet. Een BWB is het enige zinsdeel dat vaker kan voorkomen in een zin. Een O en een LV beginnen nooit met een voorzetsel. |
|||||||
H U L P K A A R T N E D E R L A N D S 1e, 2e en 3e klas (3)
Lotte / vertelde / de leerlingen / tijdens de toets / alle antwoorden.
|
pv
o
wg
ng
lv
mwv
vzv
bwb |
vertelde |
|
|
|
Lotte |
|
||
|
vertelde |
|||
|
ja >>> is [ = “is gelijk aan”]
kww: zijn – worden – blijven –
lijken –
blijven - schijnen ng = is [een goede leerling]
Let op: géén LV als de zin een NG heeft!! |
||
|
Lotte / vertelde / de leerlingen / tijdens de toets / alle antwoorden
alle antwoorden |
|||
|
(aan) de leerlingen
|
|||
|
Sommige
werkwoorden hebben een vast voorzetsel bij zich.
Lotte / wachtte / na de toets / op al haar klasgenoten. vzv = op al haar klasgenoten ( want op hoort bij wachten wachten op)
|
|||
|
na de toets |
|||
V
Zo
noteer je het ng: Die kat/
schijnt/ ontzettend
vals/ te zijn.
ng
= schijnt [ontzettend
vals] te zijn
ww-deel =
schijnt te zijn
nw-deel = ontzettend
vals (ndg)






kww:
zijn/worden/blijven/ lijken/blijken/schijnen









©
BRC havo en vwo – Krommenie HULPKAART NEDERLANDS (3), 1e,
2e en 3e klas