H U L P K A A R T NEDERLANDS 1e/2e/3e klas (1)
I. WOORDSOORTBENOEMING
lidwoord (lw):
bepaald (bep.lw): de, het;
onbepaald (onb.lw): een (zowel bij de- als bij het-woorden, alleen enkelvoud!)
zelfstandig naamwoord (zn):
woorden waar je een lidwoord voor kunt zetten;
mensen, dieren, dingen, begrippen en eigennamen (Koos, Nederland)
bijvoeglijk naamwoord (bn):
zegt
iets over het zelfstandig naamwoord,
bijv: een
mooie
fiets
werkwoorden (ww):
zeggen
wat iets of iemand doet: lachen, spelen, breken
(Maar bij sommige
ww is dat niet zo duidelijk zoals: kunnen, worden, zijn.)
Je kunt een ww vervoegen: spelen, speelt, speelde, gespeeld enz.
er zijn drie soorten ww :
zelfstandig ww (zww),
hulpww (hww)
koppelww (kww):
In
een zin met één persoonsvorm
(pv)
en een werkwoordelijk
gezegde
(wg)
is het belangrijkste ww
een zww.
Dat is het ww
met de belangrijkste betekenis,
eventuele andere ww
zijn hulpww.
LET OP: in een wg met meer dan één ww is de pv NOOIT het zww!
bijv.:
Hij
heeft naar huis gefietst. wg
= heeft gefietst
heeft (pv)
= hww
gefietst
= zww
(want daar gaat het om: je kunt zeggen: Hij fietst naar huis.)
In een zin met één pv en een naamwoordelijk gezegde zit altijd één kww (plus een naamwoord natuurlijk), eventuele andere ww zijn hww.
De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen
LET OP: in een ng met meer dan één ww is de pv NOOIT het kww!
bijv.:
Hij
zou later piloot willen worden. ng
= zou [piloot]
willen worden
zou (pv)
= hww
willen
= hww
worden
= kww
voorzetsels (vz):
geven meestal een plaats aan (in, op, naast, bij, tussen, voor),
een tijd (gedurende, onder, tijdens, in, voor, na, sinds)
of een reden (vanwege, wegens, om, door)
aanwijzend voornnaamwoord (aanw.vnw):
hiermee kun je iets letterlijk aanwijzen,
bijv: Deze jongen loopt met dat hondje weg door die straat.
: Zo’n t-shirt wil ik ook wel hebben.
Ook zulke en dergelijke zijn aanw.vnw.
persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw – 3 personen ev. en mv.!):
De diverse kleuren worden verklaard op kaarten (3)-(5) ZINSDELEN / NG!
(Zwart gedrukte pers.vnwen veranderen niet!)
|
mij (onbeklemtoond: me), jou (je), hem, haar, |
mij (me) jou (je) / hem, haar; |
u |
|
het (vervanging van een hele zin of een zn (als ’t een het-woord is).) |
|||
|
ons,
hen (ze in spreektaal), |
ons
hun (ze in spreektaal) |
u |
bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw):
dit woord lijkt vaak op een pers.vnw, maar het geeft iemands BEZIT aan:
mijn
jouw, je; / uw
zijn, haar
ons, onze
jullie; / uw
hun
zelfstandig gebruikt: de/het mijne, de/het jouwe enz.
vragend voornaamwoord (vr.vnw):
er zijn er vier:
wie,
wat, welk(e), wat voor (een)
het vr.vnw hoeft niet persé aan het begin van de zin te staan!
bijv: Ik weet niet wat voor zin dit heeft!
onbepaald voornaamwoord (onb.vnw):
dit woord geeft iets vaags aan. De belangrijkste onb.vnw zijn:
iets, niets, alles; het (bij het weer bijv.: Het sneeuwt.)
elk(e), ieder(een), enig(e)
iemand, niemand, men, menig(een)
bijwoord (bijw.)
zegt iets over het werkwoord,
bijv:
hij
rijdt hard.
zegt iets over het bijvoeglijk naamwoord,
bijv:
een
erg
hard geluid.
zegt iets van een ander bijwoord,
bijv:
een
heel
erg
hard geluid.
woorden die bij de zinsontleding in hun eentje een bwb vormen,
zoals: toch, wel, niet, waarom, waar, hoe, daar etc.
het woordje HET:
is lidwoord als het bij een zn hoort.
is persoonlijk voornaamwoord als het ergens naar verwijst,
bijv: De glazen zijn gebroken, maar ik heb het niet gedaan.
is onbepaald voornaamwoord als het niet duidelijk verwijst,
bijv: Het regende vannacht heel hard.
©
BRC havo en vwo – Krommenie HULPKAART NEDERLANDS (1), 1e,
2e
en 3e
klas