H U L P K A A R T D U I T S 2e en 3e klas (4)
D. NAAMVALLEN: PERSOONLIJK VNW, LIDWOORD e.d., BIJV.NAAMW.
Naamvallen zijn de verschillende vormen van een woord die verschillende functies in de zin aangeven:
onderwerp / naamwoordelijk deel gezegde o / ndg
lijdend voorwerp lv
meewerkend voorwerp mwv
en na voorzetsels ! – vzv/bwb
In het Frans bijv. heeft het pers.vnw ils 4 naamvallen (zie FRANS (2)E.1).
In het Engels en Nederlands zijn er nog maar 2 naamvallen, en wel (alleen) bij het persoonlijk voornaamwoord – eentje voor het onderwerp en eentje voor een niet-onderwerp. Bijvoorbeeld:
I – me, ik – mij; he – him; hij – hem.
In het Duits zijn er daarentegen nog 2 extra’s:
er zijn nog 3 naamvallen, voor o, voor lv en mwv (en die twee laatste ook na voorzetsels – zie kaart (3)C.5). Bijvoorbeeld:
ich – mich – mir; er – ihn – ihm;
en óók lidwoorden en de andere voornaamwoorden hebben nog die drie aparte vormen:
der/dieser//ein/mein Mann – den/diesen//einen/meinen Mann – dem/diesem//einem/meinem Mann.
|
Na: of |
functie: |
pers.vnw.: |
die-w.: |
das-w.: |
der-w.: |
meerv.: |
|
sein werden bleiben e.a. (koppel-ww.!) |
o en ndg
„HIJ“-vorm
1e nv/ Nominativ |
ich du sie/es/er wir ihr sie beleefd: Sie |
die / eine / meine / e.a. |
das / ein_ / mein_ / e.a. |
der ein_ mein_ e.a. |
die – meine e.a. |
|
für, e.a.
ergens komen: an, auf, in, vor, e.a. |
lv
„HEM“-vorm
4e nv/ Akkusativ |
mich dich sie/es/ihn uns euch sie beleefd: Sie |
die / eine / meine / e.a. |
das / ein_ / mein_ / e.a. |
den einen meinen e.a. |
die – meine e.a. |
|
zu, e.a.
ergens zijn: an, auf, in, vor, e.a. |
mwv
(voorz.+) „HEM“-vorm
3e nv/ Dativ |
mir dir ihr/ihm/ihm uns euch ihnen blfd.: Ihnen |
der / einer / meiner/ e.a. |
dem / einem / meinem / e.a. |
dem einem meinem e.a. |
den + -n – + -n meinen + -n e.a. |
|
UITGANG bn (BIJVOEGLIJK NAAMWOORD): |
na –e/–s/–r uitgang lidw. (WBV, enkelvoud!): –e na alle andere uitgangen lidw. (VV): –en géén uitgang lidw ervóór ( – ): uitgang lidwoord! |
E. ZINSDELEN: WOORDEN MET LIDWOORD, BEZ.VNW, e.d., EN PERS.VNW
ZONDER VOORZETSEL
Onderwerp / nw deel gz – HIJ-vorm (1e naamval / Nominativ)
|
Der Vater schenkte seinen Kindern nach dem Essen einen großen Eisbecher. Unser_ Lehrer ist natürlich der beste! |
lijdend voorwerp – HEM-vorm (4e naamval / Akkusativ)
Let op! Alléén bij der-woorden anders dan HIJ-vorm!!
|
Nach dem Essen schenkte der Vater seinen Kindern einen großen Eisbecher. |
meewerkend vw – (vz +) HEM-vorm (3e naamval / Dativ)
In het Duits dus altijd zonder voorzetsel: met een eigen vorm!
|
Seinen Kindern schenkte der Vater nach dem Essen einen großen Eisbecher. Wie geht es dir / Ihnen? – Mir geht es nicht schlecht. |
tijdsbepaling zonder voorzetsel
Een tijdsbepaling (bwb) zonder vz staat in de naamval van het lv:
|
Er kommt jede Woche / nächstes Jahr / den ganzen Tag / noch diesen Monat. |
MET VOORZETSEL – Zie de lijstjes op hulpkaart (3) C.5.
ALTIJD met lv-vorm:
|
Ist das für mich? – Nein, für deinen Bruder. Fahren Sie über die Brücke und dann links um die Ecke. |
ALTIJD met mwv-vorm:
|
Nach dem Unterricht ging er direkt aus der Schule zum [< zu dem] Bahnhof. |
WISSELEND tussen mwv-vorm en lv-vorm:
Zich ergens bevinden (WO?) / Op een bepaald moment (WANN?) mwv-vorm
|
Am Samstag war er den ganzen Abend in der Disko / im [< in dem] Kino. Der Ball liegt nicht unter dem Tisch. |
Ergens komen (WOHIN?) lv-vorm
|
Nach dem Essen ging er in die Disko / ins [< in das] Kino. Doch, der Ball ist unter den Tisch gerollt. |
©
BRC havo en vwo – Krommenie HULPKAART DUITS (4), 2e
en 3e klas