H U L P K A A R T D U I T S 2e en 3e klas (3)
C. WOORDSOORTEN
Het Duits heeft dezelfde woordsoorten als het Nederlands en daarvan worden er maar een paar ietsje anders gespeld of gebruikt.
lidwoord
Het Duitse bepaalde en onbepaalde lidwoord heeft in het enkelvoud 3 “geslachten”, net als het pers.vnw in de 3e persoon en ook de vormen lijken daar héél erg veel op! Zie voor die vormen hulpkaart (4)D.
|
|
“vrouwelijk” |
“onzijdig” |
“mannelijk” |
meervoud |
|
pers.vnw 3e p. |
sie |
es |
er |
sie |
|
bep./onbep.lw |
die/eine |
das/ein- |
der/ein- |
die/ - |
zelfstandig naamwoord
Zelfstandige naamwoorden worden in het Duits met een hoofdletter geschreven (net als persoons- en andere namen), ook wanneer andere woordsoorten als zelfstandig naamwoord gebruikt worden.
|
znw |
Ein hoher Baum fängt viel Wind. |
|
zelfst. gebruikt bnw |
Unter den Blinden ist der Einäugige König. |
|
zelfst. gebruikt telw |
In Deutsch hat er eine Zwei [= een 8]. |
bijvoeglijk naamwoord
Bijvoeglijke naamwoorden worden met een kleine letter geschreven, zelfs de van aardrijkskundige namen afgeleide.
|
Die deutsche Bundeskanzlerin besuchte den amerikanischen Präsidenten. |
De uitgangen van verbogen bijvoeglijke naamwoorden staan op hulpkaart (4)D (tweede bladzij).
werkwoord
De vormen van de regelmatige werkwoorden (zwak en sterk) en de onregelmatige vind je op de hulpkaarten (5)F en (6)G & H.
Sommige Duitse werkwoorden kijken anders tegen hun lv of mwv aan dan hun Nederlandse collega’s. Dat zie je op kaart (4)E.
voorzetsels
Achter voorzetsels staat NOOIT de vorm van het onderwerp!
Sommige voorzetsels krijgen de vorm van het lv, andere die van het mwv en weer andere wisselen tussen die twee (zoals in het Nederlands sommige vzs van plaats kunnen wisselen: op het dak / het dak op; in de kamer / de kamer in). Die vormen staan op kaart (4)D.
|
Altijd met lv-vorm: |
Altijd met mwv-vorm: |
Wisselvoorzetsels: |
|
durch, für, gegen, ohne, um en über (= over) (plus nog een paar andere) |
aus, bei, mit, nach (= na), seit, von, zu (= naar) (en een paar andere) |
an, auf, hinter, neben, in, über (= boven), unter, vor, en zwischen
|
persoonlijk voornaamwoord
De vormen vind je op hulpkaart (4)D.
De beleefde aanspreking Sie / Ihnen schrijf je altijd met hoofdletter!
bezittelijk voornaamwoord
Bij elk persoonlijk voornaamwoord hoort een bezittelijk:
|
enkelvoud |
meervoud |
||
|
pers.vnw |
bez.vnw |
pers.vnw |
bez.vnw |
es er |
mein dein / Ihr ihr sein sein |
|
unser euer / Ihr ihr |
LET OP: Er zijn dus drie betekenissen van [ihr], net als van [sie]:
|
DUITS |
NEDERLANDS |
|
sie + ihr (enkelvoud!) sie + ihr (meervoud!) Sie + Ihr (enkel- en meervoud!) |
zij + haar zij + hun u + uw |
De vormen van het bez.vnw zijn dezelfde als die van ein(e): zie (4)D.
aanwijzend voornaamwoord
Met nadruk uitgesproken wordt het bep.lw een aanw.vwn:
|
Der Mann (da) ist mein Onkel. |
Die man daar is mijn oom. |
Daarnaast, met de vormen van het bep.lw (zie (4)D!), zijn er:
|
Dieser und jener. Diese Frau ist meine Tante und jenes Mädchen ist meine Cousine. Solche Leute mag ich sehr. |
Deze en gene (= die daar). Deze vrouw is mijn tante en dat meisje daar is mijn nicht. Zulke mensen mag ik graag. |
vragend voornaamwoord
Er zijn er – net als in het Nederlands – vier:
|
Wer ist das? Für wen ist das? Mit wem kommst du? |
Was ist das? Wofür ist das? Womit machst du das? |
|
Welche Frau?/ welches Kind?/ welcher Mann? (met de vormen bep.lw: (4)D!) |
Was für (ein) Mann ist das? Was für (einen) Mann möchtest du? Mit was für (einem) Mann lebst du? (dus de vormen van onbep.lw: (4)D!) |
onbepaald voornaamwoord
De belangrijkste onbepaalde voornaamwoorden zijn:
|
onverbogen: |
met de vormen v.h. bep.lw (zie (4)D!): |
|
man (men) etwas (iets) nichts (niets) es in: Es regnet/weht/schneit. |
alles jede/jedes/jeder (ieder(een)) jemand, jemanden, jemandem niemand, niemanden, niemandem einige (enkele – meerv. dus) manche (sommige – meerv. dus) |
©
BRC havo en vwo – Krommenie HULPKAART DUITS (3), 2e
en 3e klas