H U L P K A A R T D U I T S 2e en 3e klas (3)


C. WOORDSOORTEN


Het Duits heeft dezelfde woordsoorten als het Nederlands en daarvan worden er maar een paar ietsje anders gespeld of gebruikt.


  1. lidwoord


vrouwelijk”

onzijdig”

mannelijk”

meervoud

pers.vnw 3e p.

sie

es

er

sie

bep./onbep.lw

die/eine

das/ein-

der/ein-

die/ -


  1. zelfstandig naamwoord

znw

Ein hoher Baum fängt viel Wind.

zelfst. gebruikt bnw

Unter den Blinden ist der Einäugige König.

zelfst. gebruikt telw

In Deutsch hat er eine Zwei [= een 8].


  1. bijvoeglijk naamwoord


  1. werkwoord


  1. voorzetsels

Altijd met lv-vorm:

Altijd met mwv-vorm:

Wisselvoorzetsels:

durch, für, gegen, ohne, um en über (= over) (plus nog een paar andere)

aus, bei, mit, nach (= na), seit, von, zu (= naar) (en een paar andere)

an, auf, hinter, neben, in, über (= boven), unter, vor, en zwischen

  • Ergens komen: lv-vorm

  • Ergens zijn: mwv-vorm


  1. persoonlijk voornaamwoord


  1. bezittelijk voornaamwoord


  1. aanwijzend voornaamwoord

Dieser und jener.

Diese Frau ist meine Tante und jenes Mädchen ist meine Cousine.

Solche Leute mag ich sehr.

Deze en gene (= die daar).

Deze vrouw is mijn tante en dat meisje daar is mijn nicht.

Zulke mensen mag ik graag.


  1. vragend voornaamwoord

Wer ist das?

Für wen ist das?

Mit wem kommst du?

Was ist das?

Wofür ist das?

Womit machst du das?

Welche Frau?/

welches Kind?/

welcher Mann?

(met de vormen bep.lw: (4)D!)

Was für (ein) Mann ist das?

Was für (einen) Mann möchtest du?

Mit was für (einem) Mann lebst du?

(dus de vormen van onbep.lw: (4)D!)


  1. onbepaald voornaamwoord

onverbogen:

met de vormen v.h. bep.lw (zie (4)D!):

man (men)

etwas (iets)

nichts (niets)

es in: Es regnet/weht/schneit.

alles

jede/jedes/jeder (ieder(een))

jemand, jemanden, jemandem

niemand, niemanden, niemandem

einige (enkele – meerv. dus)

manche (sommige – meerv. dus)


© BRC havo en vwo – Krommenie HULPKAART DUITS (3), 2e en 3e klas 2