Basisvaardighedenproject
voor vierde klassen havo en vwo met een natuurprofiel

Bij de vakken natuurkunde, scheikunde en biologie wordt veel
experimenteel werk gedaan
en vaak wordt van dezelfde meetinstrumenten gebruik gemaakt.
Elk meetinstrument heeft zijn eigen nauwkeurigheid en deze is bepalend voor de
nauwkeurigheid
waarmee berekeningen gemaakt moeten worden. Doel van dit project is in te gaan
op de volgende vragen:
· Wat zijn de meetonnauwkeurigheden van de verschillende meetinstrumenten en hoe geef je dit aan bij het noteren van meetwaarden (significantie)?
· Met welke nauwkeurigheid mag je het eindresultaat van een berekening presenteren?
· Welk instrument is geschikt bij een bepaald experiment?
· Hoe verwerk je meetgegevens in tabellen en grafieken met behulp van Excel?
·
Hoe kun je metingen doen en metingen verwerken
met het programma Coach?
Aan de hand van enkele voorbeelden krijgen jullie antwoord op de gestelde vragen. Het is de bedoeling dat jullie de opgedane kennis de komende jaren bij alle drie de vakken toepassen.
Nauwkeurigheid
van metingen
Bij elke meting moeten we rekening houden met de nauwkeurigheid waarmee we de meting doen. Deze hangt af van het soort meetinstrument en onze eigen afleesvaardigheid.
Wanneer je van een blokje een lengte van
Noteer je echter de lengte als
Met “
Nauwkeurigheid van
berekeningen
Het werken met ‘echte metingen’ heeft gevolgen voor de nauwkeurigheid waarmee we het eindresultaat van een berekening mogen presenteren.
De volgende afspraken zijn hiervoor gemaakt:
- Het antwoord van een vermenigvuldiging of deling mag in niet meer significante cijfers worden gegeven dan de meetwaarde met het kleinste aantal significante cijfers dat je bij de berekening hebt gebruikt.
- Bij het optellen en aftrekken wordt het antwoord in niet meer decimalen geschreven dan het bij de berekening betrokken meetresultaat met het kleinste aantal decimalen.
Als je voor de volume berekening van een blokje de formule V = l.b.h wil toepassen en je hebt alle drie de zijden in drie significante cijfers
gemeten, dan geef je het eindresultaat ook in drie significante cijfers.
Bijvoorbeeld: l =
V = 19,5 cm3.
Heb je een van de zijden maar in twee significante cijfers gemeten, en de overigen in drie significante cijfers, dan mag ik het eindresultaat maar in
twee significante cijfers geven.
Bijvoorbeeld: l =
V = 19 cm3.
Wanneer je met de meetgegevens van deze twee voorbeelden wilt
berekenen hoe hoog twee op elkaar gestapelde blokjes zijn, is dat
4,30 + 4,3 =
Let op: Deze regels gelden alleen voor meetwaarden, dus niet voor telwaarden.
Bijvoorbeeld: Een vitamine C tablet bevat 45,5 mg ascorbinezuur.
Dan bevatten 8 vitamine C tabletten 8 x 45,5 = 364 mg ascorbinezuur
Onderzoek levert vaak een lijst met meetgegevens op. Door de meetgegevens in een overzichtelijke tabel te zetten en te verwerken in een grafiek, vergroot je je inzicht in de onderzoeksresultaten.
Bij het verwerken van de meetgegevens in een grafiek zet je de onafhankelijke variabele op de x-as en de afhankelijke variabele op de y-as. In een staaf- en/of een lijndiagram zie je dan wat het verband is tussen de onafhankelijke variabele en de afhankelijke variabele.
Wanneer je van een experiment een verslag moet maken, wordt er van je verwacht dat je het verwerken van meetgegevens op de computer kunt doen. In de onderbouw hebben jullie bij het vak informatica al aandacht besteed aan het werken met Excel. Het doel van onderstaande opdrachten is deze kennis weer op te halen.
Opdracht 1 Veerconstante
Op http://www.scholieren.com/werkstukken/20270 hebben drie leerlingen een verslag over de bepaling van de veerconstante van een stalen veer geplaatst. Deze gegevens kunnen we gebruiken voor het werken met Excel. Bij de uitwerking van deze gegevens leer je tevens dat je altijd kritisch moet kijken naar verslagen die je op internet kunt vinden.
In het eerste gedeelte van hun verslag beschrijven de leerlingen de
gebruikte methode:
- Meet de gewichten op met behulp
van de Newtonmeter.
- Meet de lengte van de veer zonder belasting.
- Hang aan de veer steeds meer gewicht (een steeds grotere kracht)
- Meet per gewicht de uitwijking.
Bij de resultaten vind je het volgende bundeltje gegevens:
Kracht (N) Lengte (cm) Lengte (m)
uitwijking (cm)
0 3,2
0,032 0,032
0,5 6,8 0,068
0,036
1 10,7
0,107 0,039
1,5 15,3 0,153
0,046
2 19,1
0,191 0,038
2,5 23,8 0,238
0,047
Je moet dit blijkbaar als volgt lezen. Het eerste getal op elke regel (0 / 0,5 / 1 etc.) is de kracht in N, het tweede getal is de gemeten lengte van de veer in cm, het derde getal is de gemeten lengte van de veer omgerekend in m en het laatste getal is de berekende uitwijking (een betere naam is uitrekking) van de veer.
A: - Op de eerste regel is het laatste getal fout. Bedenk zelf wat het juiste getal moet zijn.
- Ook de eenheid die de leerlingen in de laatste ‘kolom’ geven is fout. Bedenk de juiste eenheid.
- In de gegevens zie je niet dat de uitrekking steeds meer toeneemt naarmate je een
grotere kracht uitoefent. Welke elementaire fout hebben deze leerlingen gemaakt bij het
berekenen van hun laatste kolom? Corrigeer deze fout.
B: - Vermeld de gegevens van de scholieren naast elkaar in een overzichtelijke tabel.
Geef in de laatste kolom de bij A gecorrigeerde getallen. Maak de tabel in Excel.
- Zorg voor uitspringende kopjes, gebruik in de vierde kolom uitrekking als kopje
(niet uitwijking)
- Zorg er voor dat de getallen midden onder de kopjes staan
- Maak randen om de kolommen, zodat de tabel overzichtelijk wordt
C: - Maak in Excel een grafiek van de kracht tegen de uitrekking.
- Kies voor grafiektype ‘spreiding’
- Geef de grafiek een titel
- Voorzie de assen van bijschrift
- Zorg voor juiste schaal. Kies bereik van x-as en y-as goed.
- Laat een trendlijn door de punten trekken:
> zet de muis op een punt in de grafiek, klik op rechter muisknop, kies ‘trendlijn toevoegen’;
> kies bij ‘opties voor trendlijn’ Type lineair, vink aan ‘snijpunt met Y-as
instellen’ en zet deze op 0,0 (je weet zeker dat deze trendlijn door de oorsprong (0,0)
moet gaan)
>Geef de trendlijn een passende kleur, bijv. dezelfde kleur als de punten, en pas eventueel de dikte van de lijn aan.
- Excel geeft standaard legenda naast de grafiek. Wanneer je maar één getallenreeks in
de grafiek weergeeft, is dit eigenlijk overbodig. In dit geval kun je de legenda dus weghalen.
D: - Welke vraag kun je met behulp van deze grafiek beantwoorden?
Opdracht
2 Lengte en omvang van de borstkas
In een tweede klas op de middelbare school is bij een practicum respectievelijk de
lengte (in m) en de borstkasomvang (in cm) van de leerlingen gemeten.
De resultaten waren als volgt:
jongens:
meisjes:
A: - Vermeld deze gegevens van de jongens en meisjes naast elkaar in één overzichtelijke tabel. Maak de tabel in Excel.
- Denk aan de aanwijzingen in opdracht 1
- Maak bij de gegevens over de jongens een kopje ‘jongens’ boven de kolommen‘lengte’ en ‘omvang borstkas’ (cellen samenvoegen)
- Maak bij de gegevens over de meisjes een kopje ‘meisjes’ boven de kolommen ‘lengte’ en ‘omvang borstkas’.
- Laat de gemiddelde lengte en borstkasomvang van de jongens en van de meisjes in deze klas berekenen.
B: - Maak een grafiek waarin de verhouding lengte/omvang van de jongens wordt weergegeven.
- Kies voor grafiektype ‘spreiding’
- Geef de grafiek een titel
- Voorzie de assen van bijschrift
- Zorg voor juiste schaal. Kies bereik van x-as en y-as goed.
- Laat een trendlijn door de punten trekken. Geef de trendlijn een passende kleur,
bijv. dezelfde kleur als de punten.
- Voeg aan dezelfde grafiek de reeks gegevens van de meisjes toe.
- Laat een trendlijn door de punten van de meisjes trekken.
- Geef de trendlijn van de meisjes een passende kleur.
- Nb. in deze grafiek heb je twee getallenreeksen, dus de legenda zijn
niet overbodig.
- Probeer eens puntgrootte/vorm/kleur te veranderen (met muis op punt gaan staan en rechter muisknop indrukken: ‘gegevensreeks opmaken’)
- Probeer eens dikte/vorm/ van trendlijn aan te passen (trendlijn opmaken)
C: - Maak een tweede grafiek waarin de gegevens van de jongens en de meisjes als één reeks worden weergegeven en trek een trendlijn door de punten. Werk de grafiek naar behoren af.
D: - Welke vraag kun je met de grafiek van B beantwoorden?
- Welke vraag kun je met de grafiek van C beantwoorden
IV.
gebruik en keuze van glaswerk
Bij scheikunde, natuurkunde en biologie moet je vaak de hoeveelheid van een vloeistof bepalen door het aflezen van glaswerk. In dit hoofdstukje gaan we in op de volgende vragen:
· Hoe lees je de stand van het vloeistofniveau af?
· Wat zijn de meetonnauwkeurigheden van het verschillende glaswerk?
Aflezen van vloeistofniveau
In afb.1 zie je dat de vloeistoflijn in een maatcilinder (en ander glaswerk) een meniscus vormt, bij de rand gaat de vloeistoflijn iets om hoog.
Afb.2 laat zien hoe je de hoeveelheid moet aflezen, op hoogte van de horizontale vloeistoflijn, met je oog op dezelfde hoogte
afb. 1. Vloeistoflijn (meniscus) afb.2 Aflezen van de hoeveelheid
in
een maatcilinder vloeistof
in een maatcilinder 1
1bron plaatje: http://www.gymnasiumleiden.nl/upload_attach/klas_2_maatcilinder_05_06.pdf
Er is te zien dat het volume ligt tussen de 44 en 46 mL, iets meer dan 45 mL. Daarna maak je een schatting. Het juist geschatte volume in de maatcilinder in afb. 1 is 45,3 mL.
afb. 3 Voorschriften


Keuze van glaswerk
In de in afb.3
weergegeven voorschriften worden verschillende meetinstrumenten gebruikt.
De keuze van meetinstrumenten wordt bepaald door de nauwkeurigheid van het
experiment. De eerste vraag die je jezelf altijd moet stellen is:“Gaat het om
een kwalitatief of kwantitatief experiment?”
Opdracht 3 Kwalitatief
of kwantitatief
- Wat is het verschil tussen een kwalitatief en een kwantitatief experiment?
- Noteer welke meetinstrumenten er in elk van beide voorschriften worden gebruikt.
- Met welke nauwkeurigheid worden de hoeveelheden in beide voorschriften
aangegeven?
- Geef nu voor beide van de voorschriften aan of het om het type kwalitatief of
kwantitatief gaat.
Opdracht
4 De nauwkeurigheid van glaswerk
Voor het afmeten van een bepaald volume moet je bij de keuze van het glaswerk letten
op
twee factoren, de grootte van het
glaswerk en de nauwkeurigheid van het glaswerk.
Doel van deze opdracht is meer inzicht te
krijgen in de grootte van de meetfouten bij
gebruik van de verschillende soorten glaswerk.
Lees de opdracht eerst door en maak voordat je begint een tabel in je schrift waarin je de meetresultaten kunt noteren.
Benodigdheden
- bovenweger
- bekerglas 400 mL
- bekerglas 250 ml
- erlenmeyer 300 ml
- maatcilinder 250 ml
- maatcilinder 100 ml
Uitvoering
- Weeg een 400 mL bekerglas op een bovenweger, noteer het gewicht.
- Vul het bekerglas met kraanwater tot de 100 mL maatstreep en weeg het
bekerglas opnieuw. Noteer het gewicht.
- Doe hetzelfde met een bekerglas van 250 mL, een erlenmeyer van 300 mL,
een maatcilinder van 250 mL en een maatcilinder van 100 mL.
Uitwerking
- Maak een tabel in Excel.
Neem als kolommen: massa leeg (g), massa gevuld (g), massa water (g),
gemeten dichtheid (g∙cm-3), werkelijke volume
Neem als rijen: bekerglas 400 mL, bekerglas 250 mL, erlenmeyer 300 mL,
maatcilinder 250 mL en maatcilinder 100 mL.
- Vul in de eerste twee kolommen de gemeten
waarden in en laat in derde kolom de
massa voor water berekenen.
- Gebruik in de vierde kolom een formule om de dichtheid van water te berekenen (gemeten massa water / afgemeten volume water)
- In Binas staat in tabel 11 de werkelijke dichtheid van water (0,998 gr∙cm-3). Vergelijk deze met de door jullie berekende dichtheid van water. Geef een verklaring voor de waargenomen verschillen.
- Met de in Binas vermelde werkelijke dichtheid van water en de door jullie bepaalde massa’s van water (kolom 3) kunnen jullie nu berekenen wat de werkelijke volumes van de afgemeten hoeveelheden water waren. Doe dit in kolom 5 van de tabel.
- Welke conclusie kun je trekken met betrekking tot de grootte van de meetfouten bij de
gebruikte soorten glaswerk?
- Welke conclusie kun je trekken met betrekking tot de grootte van het te gebruiken glaswerk en de af te meten hoeveelheid vloeistof?
V.
De dichtheid van een vaste stof
In de derde klas heb je de dichtheid van suiker bepaald. Je kreeg daarvoor een suikerklontje, een meetlatje, en een balans. De handelingen waren niet te moeilijk, je ging de massa meten op de balans en het volume bepalen door de lengte, de breedte en de hoogte op te meten. En dan natuurlijk de finale formule toepassen: dichtheid = massa / volume.
Helaas
was de uitkomst veel lager dan de literatuurwaarde van
Als we de dichtheid van een vaste stof bepalen en daarna willen vergelijken met de waarde in BINAS, dan moeten we zeker weten dat we alleen aan die stof meten. Een suikerklontje bestaat niet alleen uit suiker maar ook uit…..
Een voorwerp kan wel eens meer niet helemaal zijn wat het lijkt.
Koning Hieron van Syracuse die zijn smid opdracht had
gegeven om van een grote goudklomp een nieuwe kroon te maken, bleef niet blij
met het eindresultaat. Niet omdat de kroon niet mooi was, maar wel omdat hij
zich afvroeg of deze wel van puur goud was gemaakt.
Hij zocht hulp bij de wetenschappers van die tijd, want de koning begreep ook wel dat hij hier niets had aan de formule lengte* breedte* hoogte.
Vraag: Ooit riep de Griekse wis- en natuurkundige Archimedes ‘Eureka, eureka’, stapte uit bad en liep naakt door de straten van Syracuse want hij had namelijk iets over dichtheid ontdekt. Zoek op het internet wat deze Archimedes ontdekt had en hoe hij zijn koning hiermee kon helpen.

bron plaatje: http://www.hagmolen.nl/archimedes.html
Drijven,
zweven en zinken
Als je niet aan de vorm van een voorwerp hoeft te denken, is het beschrijven van het al dan niet drijven, zweven of zinken eenvoudig afhankelijk van de dichtheid van het voorwerp en de dichtheid van de vloeistof.
Toch hoeft metaal (denk b.v. aan aluminiumfolie) niet te zinken, als je het maar als een bootje vouwt.
Als je wel met de vorm van het voorwerp rekening moet houden, moet je van het voorwerp altijd eerst de dichtheid van het geheel berekenen.
Met behulp van deze animatie (applet) kunnen we dit toegepast zien.

Opdracht 5:
Gebruik de onderstaande link om dat te doen. Onderzoek zelf welke informatie deze animatie allemaal geeft. (n.b. mercury is de stof kwik)
http://www.mhhe.com/physsci/physical/giambattista/fluids/fluids.html
Wonderlijke
feitjes.
Dichtheid werd vroeger soortelijk gewicht en later soortelijke massa genoemd. Het woord soortelijk kom je in de natuurkunde nog tegen in soortelijke weerstand en soortelijke warmte. Het woord soortelijk betekent zoveel als: van een bepaalde stof.
Lood heeft een kleinere dichtheid dan kwik, en een stukje lood kan dus drijven in een bakje met kwik. Er zijn twee redenen om dit proefje niet meer uit te voeren, allereerst is het gebruik van kwik (bijna) helemaal verboden omdat kwik het zenuwstelsel aantast en daarnaast niet omdat de twee metalen een chemische reactie aangaan.
afb. 4 Bericht uit de Volkskrant van woensdag 11 juli 2007

Nauwkeurige metingen aan regelmatige voorwerpen.
Met
een liniaal kan ik van een blokje de lengte wel in drie cijfers geven,
bijvoorbeeld
Met een schuifmaat kun je nog net wat nauwkeuriger meten.
De schuifmaat is een precisie-instrument gemaakt van roestvast gereedschapsstaal. Op het schuivende gedeelte zit het NONIUS waarmee we de maat zeer nauwkeurig kunnen aflezen. Dit kan in tienden van millimeters. Gebruik de schuifmaat dan ook alleen maar om te meten!
De meeste schuifmaten die jullie gebruiken zijn van plastic.
De onderdelen van de schuifmaat.

Het aflezen van de Nonius (in de onderstaande foto) gaat als volgt:
a. Lees het aantal hele schaaldelen af. (Kijk naar de nul van de nonius).
Dit aantal bedraagt hier
b.
Bepaal welk streepje van de nonius recht tegenover een
streepje van de hoofdschaal staat. In de afbeelding staat de “
c.
De gemeten maat is dan

bron beide plaatjes: http://members.home.nl/e.loef/images/Schuifmaat.doc
Oefen het aflezen van de schuifmaat door de link naar de volgende applet te volgen.
Nauwkeurige
metingen aan onregelmatige voorwerpen.
Zoals
met de kroon van koning Hieron al direct duidelijk is
moeten we bij onregelmatige voorwerpen het volume op een andere manier proberen
te meten.
Als ik het volume van een kiezelsteentje wil bepalen kan ik
de onderdompelingsmethode gebruiken. Ik neem een maatcilinder met een beetje
water, lees de waterstand af en dompel daarna voorzichtig het steentje in de
maatcilinder. Het verschil tussen de waterstanden geeft het volume van het
kiezelsteentje.
Bij de kroon moet je natuurlijk aan een bad denken. Hoe zou je het moeten doen bij een paperclip?
Bepaling
van de dichtheid van vaste stoffen.
Het doel van de volgende drie opdrachten is om te onderzoeken hoe we bij vaste stoffen zo nauwkeurig mogelijk de dichtheid kunnen vastleggen. Uiteraard bepalen de gebruikte meetinstrumenten en je eigen afleesvaardigheid de nauwkeurigheid van je antwoord. Je werkt de opdrachten in groepjes van twee uit, en bewaart weer het resultaat in de map.
Opdracht
7
Benodigdheden:
- drie blokjes van verschillend materiaal
- schuifmaat
- weegschaal
Uitvoering
- Bepaal met bovenstaande middelen zo nauwkeurig mogelijk de dichtheid van de blokjes.
- Bepaal met behulp van het Binasboekje van welke stoffen je de dichtheid gemeten hebt.
- Vul
onderstaande tabel in:
|
|
Dichtheid (g/cm3) |
Stof |
|
Blokje 1 |
|
|
|
Blokje 2 |
|
|
|
Blokje 3 |
|
|
Opdracht
8
Benodigdheden
- knikker(s)
- schuifmaat
- maatcilinder
- weegschaal
Uitvoering
Van een bol is het volume te berekenen met
de formule 4/3 * π * r3
(r is de straal van de bol).
- Bepaal
met behulp van de formule zo nauwkeurig mogelijk de dichtheid van de knikker.
- Bepaal met de onderdompelingsmethode zo nauwkeurig mogelijk de dichtheid van de knikker.
- Vul
de onderstaande tabel in:
|
|
Dichtheid (g/cm3) |
|
Berekening met de formule |
|
|
Berekening met de dompelmethode |
|
- Welke van de twee methoden is het meest nauwkeurig?
Extra
opdracht
Benodigdheden:
- massa’s zoals hieronder in bovenaanzicht weergegeven
- schuifmaat
- maatcilinder.
- weegschaal.

Uitvoering
Het blokje kun je bij benadering zien als
opgebouwd uit een grote cilinder, met twee
uitsparingen (zowel een cilindervormige als een staafvormige).
Van een cilinder is het volume te berekenen met de formule π * r2 * h (straal r en
hoogte h).
- Bepaal met behulp van formules zo nauwkeurig mogelijk de dichtheid van de massa.
- Bepaal met de onderdompelingsmethode zo nauwkeurig mogelijk de dichtheid van de massa.
- Bepaal met behulp van het Binasboekje van welke stof je de dichtheid gemeten hebt.
- Vul
de onderstaande tabel in:
|
|
Dichtheid (g/cm3) |
Stof |
|
Berekening met de formule |
|
|
|
Berekening met de dompelmethode |
|
|
- Welke van de twee methoden is het meest nauwkeurig?
VI. Inleiding in het gebruik van IPCOACH 6 – Meten

Hele kortdurende gebeurtenissen, zoals de
tijdsduur van de flits van een fotocamera, is met eenvoudige meetinstrumenten
niet te meten. De meetfout met een stopwatch is vele malen groter dan gewenste
tijdmeting.
Continu meten van een temperatuur is voor ons
ook lastig uit te voeren. Elke keer aflezen en opschrijven kost tenslotte tijd.
Een automaat heeft daar minder moeite mee.
Hele langdurige metingen, zoals het
temperatuurverloop in een etmaal, is voor ons ook een beproeving.
Er is een programma ‘Coach’ dat al dit soort
metingen, zonder te klagen, wel nauwkeurig kan verrichten.
De volgende korte introductie geeft een
eerste kennismaking met de mogelijkheden van dit programma dat voor alle exacte
vakken te gebruiken is.
Je leert
·
het
aansluiten en het gebruiken van een sensor in coach
·
het
instellen van de geschikte assen voor de meting
·
het
uitvoeren van een meting
·
het
bewerken van de grafiek
Werk deze introductie helemaal door.
Meting van
de temperatuur van je hand met een temperatuursensor
1. Start COACH en
kies in het menu voor: Meten.

2. Klik met de
linker muisknop op het scherm op het plaatje voor Openen
(tweede van
links).

3. Kies eerst
voor: 3. Laboratorium.

4. Kies
in het volgende menu eerst voor: Afdeling Natuurkunde


5. Lees
de korte welkomstekst en klik vervolgens in het venster links onder op het
scherm. Je activeert dan het aansluiten van sensoren op CoachLab.
Links zie je plaatjes met symbolen, die sensoren voorstellen.
6. Sleep het plaatje met de temperatuursensor naar het linkerdeel van het CoachLab:


7. Sluit
op het verbindingskastje COACHLAB II+ aan de linkerkant een temperatuursensor
aan.
Controleer of de adapter van het kastje op het stopcontact is aangesloten.
Controleer ook of dit kastje op een USB-ingang van de computer is aangesloten.
8. Houd de temperatuursensor in je hand en constateer op het scherm dat temperatuur hoger wordt.
9. Ga op de bovenste werkbalk (activiteitenbalk) na wat de betekenis is van de plaatjes:
Noteer hieronder de betekenis van de vermelde plaatjes in de activiteitenbalk.
![]()
10. Laat in het venster rechts boven een plaatje van detemperatuurmeting verschijnen door eerst op de het plaatje van de meter op de activiteitenbalk te klikken, dan in het volgende plaatje voor
‘Analoog In3: Temperatuursensor’ en vervolgens op de OK-knop.
Beweeg de cursor (met het metertje) naar het venster rechtsboven en laat met een klik de temperatuurmeting
verschijnen. Neem de temperatuursensor in
je hand
en merk op dat de
waarde van de thermometer stijgt.

11. Oefen
met de knoppen van de activiteitenbalk door in de vensters aan de rechterkant
te laten verschijnen:
- de waarde (van de temperatuur)
- een diagram
- een tabel
- een venster, waarin je zelf tekst kunt invoeren.
Je kunt de inhoud van een venster helemaal wissen door op het afsluitknopje (kruisje) rechts boven in een venster te klikken.
![]()
Met het linker knopje kun je kiezen voor het laten afdrukken van het venster of voor het plaatsen in het klembord.
Met het middelste kun je switchen naar een volledig-scherm-weergave (en weer terug).

12. Laat in het scherm rechtsboven een
diagram
verschijnen.
De instellingen van het diagram kun je wijzigen door met de rechter muisknop in het venster van het diagram te klikken. Je ziet dan het keuzemenu.
13. Kies
voor Diagraminstelling

Verander het aantal decimalen van de tijd
van 3 naar 1 en verander de maximale tijd van
Verander ook de instelling voor de
temperatuur-as. Kies daartoe eerst voor kolom C2
Verander het weergavebereik in Min:
10 en Max: 40.

In het diagram zie de waarde van de temperatuur met een rood lijntje aangegeven.
Als je de sensor weer met je hand verwarmt, zie je dit lijntje oplopen.
14. Een
meting starten en meetinstellingen.
Gebruik de knop start:
om een meting van de temperatuur te beginnen.
Merk op dat de meting maar 10
seconden duurt.
Verander dit door op de knop
instellingen:
te klikken.
Verander de tijdsduur van

15. Start
weer de meting.
Verwarm 50 seconden lang de sensor
met je hand en laat de sensor de volgende
50 seconden afkoelen.
Laat het raster tonen door in het
diagrammenu (rechter muisknop) in het diagramvenster te klikken,
te kiezen voor Weergave… en te klikken bij: Raster tonen.

Het volgende diagram verschijnt:

Via Automatisch
Zoomen (diagrammenu) kun je in het diagram de temperatuurweergave laten
beperken,
zodat je de temperatuurveranderingen beter kunt aflezen:
16. Verwerking
Vanuit het diagram kun je verder
gaan met het analyseren van de metingen:
Kies via Analyse/Verwerking voor:
Helling.



Beweeg
met de muis de verticale streepjeslijn naar 10 seconden en klik op de linker
muisknop.
Je ziet dan een zwarte lijn, waarmee je de helling van de grafiek bij 10 sec
kunt bepalen.
Met de pijltjestoetsen kun je de helling van de zwarte lijn veranderen tot je vindt dat deze lijn zo goed mogelijk raakt aan de grafiek.

Ga na tussen welke grenzen volgens jou de helling van de grafiek bij 10 sec ligt.
Welke eenheid wordt gebruikt?

17. Gebruik
van de aantekeningen. Over de meting kun je een aantal natuurkundige vragen
stellen.
Stel jezelf (of elkaar) minstens 3
natuurkundige vragen en probeer ze te
beantwoorden.
Voer de vragen en de antwoorden in
het venster rechts onderin, waar je via de knop
een eigen tekst kunt invoeren.
Als je alles af hebt (of tussendoor) kun
je je instellingen en metingen opslaan
via de knop
.
Ga vervolgens in het venster voor Opslaan als… eerst naar je eigen map op het netwerk,
maak daar een nieuwe map met b.v. als naam: meting handtemperatuur en sla het werk op.
18. Sluit Coach af en open het programma (meten) vervolgens weer.
Ga naar je eigen map en open de resultaten van je eigen metingen.
Ga na of inderdaad de meetinstellingen en
de resultaten juist zijn opgeslagen en geopend.
Sluit het programma weer helemaal af
en ga via Deze computer naar je eigen map en daarin naar de opgeslagen
meetresultaten.
Windows herkent dat het om een COACH 6 bestand gaat en zal het openen.